Flora en Faunwet


Met de komst van de Flora- en faunawet worden meerinheemse en uitheemse planten en dieren beschermd en is het beschermingsregime strenger geworden. Nieuw in de wet is dat dieren mede beschermd worden omdat hun bestaan op zichzelf waardevol is, zonder te kijken welk nut de dieren voor de mens kunnen hebben. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld.

 

Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Daarnaast is het niet toegestaan om nesten, holen of andere voortplantingsplaatsen of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

  

Nee, tenzij

 

De Flora- en faunawet gaat uit van het "nee, tenzij”- beginsel. Beschermen staat voorop, ingrijpen is een uitzondering. In de praktijk betekent dit dat bepaalde handelingen ten aanzien van dieren en planten alleen onder strikte voorwaarden mogelijk zijn bijvoorbeeld in het kader van jacht en beheer en schadebestrijding.

  

Jacht en beheer en schadebestrijding

 De Flora- en faunawet maakt onderscheid in jacht en beheer en schadebestrijding. In de Flora- en faunawet worden nog slechts 6 diersoorten als wild  aangemerkt waarop in beginsel gejaagd zou kunnen worden: haas, fazant, wilde eend, konijn, houtduif en patrijs. De jacht op de patrijs is niet geopend. Voor de niet-wildsoorten geldt een regime van beheer en schadebestrijding. Dit regime is ook van toepassing op de zes wildsoorten buiten de openingstijden van de jacht.